Veldcontact 2: Water als communicatief medium

Lezers sturen soms een interessant artikel dat een goede aanvulling is op deze site. Dit is het tweede deel van een veel groter verslag van mevrouw Teuni Kuiper-van den Bos (74). Hier en daar door mij iets ingekort.

Veldcontact 2′ gaat over het vitaliseren van water en het verband met morfogenetische velden. In de aanloop er naar toe beschrijft mevrouw Kuiper-van den Bos eerst hoe die morfogenetische informatie de weg aflegt tot aan de eiwitexpressie en hoe het geheugen gedragen wordt in morfogenetische velden.

‘Veldcontact 1’ ging over de invloed van magneetvelden op fysiologische processen. Teuni paste dit ook toe op de handen van healers en het effect van bewustzijn op het herstel van fysiologische processen. Ook deel 1 is te vinden op deze site.

Hier en daar vermeldt zij ook haar eigen hypotheses. Met haar instemming nodig ik lezers uit om hun visie op haar werk op deze site te delen. Samen komen we immers steeds verder. 

Water als communicatief medium in het lichaam en hoe die eigenschap kan worden verstoord door elektro-actieve elementen

Het menselijk organisme – en alle andere levende organismen – functioneert bij de gratie van aansturing door fijnstoffelijke energetische informatie. Deze informatie wordt in het lichaam opgevangen door het zogenaamde Junk-DNA, dat 97% van al het DNA uitmaakt.

Die informatiedragende vibraties worden versterkt door het water in ons lichaamsvocht, waarna het beter kan worden doorgegeven aan het voor eiwitten coderende DNA en de micro-RNA’s die door dat junk-DNA zelf worden gegenereerd. Hoe dat werkt wordt in het navolgende verder uitgelegd. 

Als de structuur van water wordt verstoord, dan zal de versterking van de aansturende veldinformatie veel geringer zijn en dan loopt de overdracht van die aansturende informatie aan de cellen gevaar.

Het vervelende is nu dat elektro-actieve elementen, zoals kwik en aluminium, die informatieversterkende eigenschap van water teniet kunnen doen.

Eerst gaan we bekijken hoe de overdracht van die onzichtbare en moeilijk meetbare aansturingsinformatie eigenlijk verloopt.

De route die morfogenetische informatie aflegt tot aan de eiwitexpressie (samenvatting)

In het voorgaande sprak ik over morfogenetische veldinformatie die het functioneren van de mens – psychisch en somatisch – aanstuurt. Hoe gaat dat in zijn werk? Die informatie wordt vanuit de digitale informate-opslag in quantumvelden overgedragen naar het celniveau (bijvoorbeeld van de mens).

Samengevat is volgens mij de route … naar de fysiologie van organismen als volgt:

  • Functioneringsinformatie vanuit de morfogenetische velden (informatie-dragende fijnstoffelijke Higgsvelden) – die via de chakra’s (gebieden van het energielichaam met een hogere amplitude) wordt ‘aangetrokken’ – resoneert via intact junk-DNA met het energielichaam (de aura) van een organisme, dat eveneens quantumdeeltjes (gluonen) bevat, dus energie van quantumkwaliteit. De uit katabolische processen vrijgekomen energie (afbraak van peptiden, ATP en cAMP) levert de ‘vrije-’ ofwel ‘deeltjes-energie van de ‘etherische’ aura, die op directe wijze resoneert met de digitaal gecodeerde informatie van hogere bewustzijnsvelden en morfogenetische velden. Chakra’s zijn eigenlijk niets anders dan geconcentreerde ‘wolkjes’ gluonen die door de onderliggende organen worden gegenereerd en zorgen voor de informatieoverdracht van die organen. Met elkaar vormen die grote en kleinere chakra’s het energielichaam. De gluonen zijn trillingsverschijnselen die dienen als ‘draaggolf’ voor de digitaal gecodeerde morfogenetische informatie. Van beneden naar boven neemt de frequentie van die draaggolven toe en daarom wordt door de verschillende chakra’s voor verschillende informatie geïntermedieerd. Iedere opeenvolgende frequentieband draagt een eigen soort informatie. De hoogste draagt geheugeninformatie.
  • Het lichaamsvoltage draagt bij aan de amplitude van de informatie. Alleen intacte genen/nucleotiden coderen correct voor morfogenetische informatie. Bij gendefecten ontbreekt er resonantie-informatie in de aura en ontstaat er functie-uitval voor die betreffende genen. Het junk-DNA is (via de introns) de eigenlijke ontvanger van de veldinformatie. Deze informatie wordt opgevangen via resonantie van de verschillende intron-nucleotiden met de voor hen bestemde digitale frequentiepatronen. Door hun vibratie trekken de  intron-nucleotiden losse RNA-nucleotiden aan die op die manier een gespiegelde kopie vormen van het op dat moment vibrerende intron-DNA. Polymerisatie van deze RNA-strip leidt tot de kortstondige consolidatie van deze micro-RNA’s. Depolymerisatie door exonucleases maakt de afzonderlijke nucleotiden na hun werk weer beschikbaar voor een volgende afdruk van het intron-DNA. Deze micro-RNA’s dekken het mRNA op een zodanige wijze af dat eiwitsynthese geheel of gedeeltelijk wordt voorkomen. De exons resoneren niet mee. De universele morfogenetische informatie van de soort wordt via de aura ontvangen en door resonantie met het eigen DNA wordt alleen die informatie versterkt waarvoor het individu gave intron-genen heeft. Daardoor kan het individuele informatiepatroon in de aura afwijken van het totaal aan aangeboden morfogenetische informatie. De door het eigen intron-DNA voorversterkte informatie heeft nu een zodanig sterk signaal dat ze in staat is om de macromoleculen in de ECM tot resoneren aan te zetten. 
  • Het digitale informatiepatroon van de aura wordt vervolgens – weer via resonantie met door gluonen gegenereerde fotonen – doorgegeven aan de macromoleculen in de extracellulaire matrix (ECM) waar ze wordt omgezet in digitale patronen van elektronen, die via verdere elektronenoverdracht door cytochroom-C de exons van het DNA bereiken. Deze exons kunnen zelf niet resoneren en zijn ingesteld op de activering door elektronenpatronen. De exons bevatten de codering voor individuele kenmerken. Eiwitsynthese vindt nu plaats conform die individuele kenmerken. Voor de voortdurende omzetting van digitale informatie in elektronenpatronen in een levend organisme is het lichaamsvoltage van dat organisme van het grootste belang. Dat lichaamsvoltage is afhankelijk van de hoogte en ratio van de koper- en zinkspiegels plus voldoende aangezuurd lichaamsvocht, waarbij de actiepotentialen van de kalium/natriumpomp zorgen voor een aanvullende voltage. Het benodigde lichaamsvoltage wordt dus hoofdzakelijk gegenereerd door wat door mij is gepostuleerd als het ‘biochemische element van Volta’ ofwel de biologische accu. In de macromoleculen is dus sprake van een omzetting van – oorspronkelijk door quantumdeeltjes gedragen en door fotonen overgedragen –  digitaal gecodeerde informatie naar patronen door elektronen. De macromoleculen vormen dus de ‘schakelaars tussen informatie vanuit de hemel naar de aarde’. De rol van dat lichaamsvocht – met name dat van het water-aandeel daarin – wordt hierna beschreven. Het wateraandeel in het lichaamsvocht – in en tussen de cellen – resoneert mee en versterkt de informatie namelijk ook nog eens.
  • Energieke informatie van stoffen die substantieel in het lichaam binnenkomen (vreemd DNA of chemische verbindingen) of die zich in de nabijheid bevinden, hebben – eveneens via digitale frequentiepatronen op atomair en moleculair niveau – ook invloed. Deze digitale frequenties kunnen  – bij voldoende sterkte – interfereren met de digitale frequentiepatronen van de universele veldinformatie en/of met de sterkere frequentiepatronen die bedoeld zijn voor de macromoleculen en exons en zo de kwaliteit van deze informatie verminderen. In het eerste geval kan het junk-DNA niet optimaal resoneren met het verminkte veldsignaal en ontstaat er een niet optimaal individueel frequentiepatroon. In het tweede geval wordt ook nog het al verminkte individuele frequentiepatroon nog verder door interferentie verstoord. In beide gevallen zullen de macromoleculen geen goed signaal  aangeboden kunnen krijgen en zal de eiwitsynthese op bepaald punten falen. Als er iets aan de exons mankeert zal de beoogde eiwitsynthese natuurlijk ook falen. Als de veldsterkte van het vreemde DNA groot genoeg is (door een voldoende aantal resonerende DNA-eenheden), dan kan vreemd DNA zelfs het eigen DNA zodanig beïnvloeden dat het zich conformeert naar dat vreemde DNA. Het is één van de peilers van de evolutie dat DNA zich makkelijk conformeert naar mutaties. Tot die ‘mutaties’ behoort ook DNA dat nog niet eerder in die vorm bestond (genetisch gemanipuleerd DNA). Informatie van gentechproducten – zoals voedsel en medicijnen – kan dus leiden tot interferentie met de eigen veldinformatie of het conformeren van het eigen DNA aan ‘kunstmatige DNA-mutaties’ waarmee het normaliter niet in aanraking komt en die geen deel uitmaken van de evolutionaire opbouw van het ontvangende organisme (mens, dier of plant). Dit mechanisme van onderlinge beïnvloeding van normale cellen door – met virussen, gif of sterke UV-straling ‘verrijkte’ – afwijkende cellen werd al in 1965 door de Rus Kaznacejev beschreven als het zogenaamde ‘cytopathische spiegeleffect’. Hierbij wordt de informatie omtrent cellen met ‘vreemd verrijkt’ DNA resonerend opgenomen door gluonen rond deze cellen. Die gluonen dragen vervolgens de  informatie over die ‘vreemde verrijking’ weer door resonantie over aan de gluonen rond de te beïnvloeden cellen. En die aldus met informatie verrijkte gluonen genereren fotonen die het DNA in de te beïnvloeden cellen weer door resonantie aanspreekt, waardoor deze cellen net zo reageren op gif of virussen als de substantieel behandelde cellen. Op dezelfde manier kan incompleet DNA herstellend behandeld worden door normaal compleet DNA. Zoals nog wordt besproken, kunnen bepaalde stoffen de informatie-versterking van het water ook nog benadelen.
  • De aura ontvangt haar informatie vanuit verschillende bronnen – (1) direct uit de universele morfogenetische velden, (2) uit de resonantie van het eigen individuele junk-DNA met deze universele morfogenetische informatie in de aura en (3) uit de energieke afdruk van substantiële stoffen – en draagt de informatiepatronen die daarvan het resultaat zijn via resonantie over aan de daarvoor bestemde ‘ontvangers’, of (aryl-hydrocarbon) Ah-receptoren, in de vorm van covalente macro-moleculen, die deel uitmaken van de extracellulaire matrix (ECM). Deze covalente macromoleculen zetten de opgevangen vibraties om in het genereren van bepaalde elektronenpatronen uit de aanwezige elektronenparen met tegengestelde spin. Er ontstaat bij de ‘omzetting’ van de opgevangen vibraties een ‘digitaal patroon’ in de tegengestelde spin van de elektronen. Hierbij dient het (alom aanwezige) lichaamsvoltage als uitgangspunt. Het zinkrijke melatonine en het extracellulair in het bloed aanwezige zink spelen als elektronendonor een belangrijke rol bij het voeden van dit proces. 
  • Deze macromoleculen in de ECM beïnvloeden vervolgens de activiteit van de voor eiwit coderende genen in de cellen (de 2% exons van het totale DNA) waarmee zij in contact staat. De macromoleculen van deze extracellulaire matrix geven dus – via de omzetting van de door fotonen overgebrachte informatie in elektronen-patronen – de ‘matrix voor ontwikkeling en functionering volgens de blauwdruk van de soort en de geheugenvelden’ door aan het exon-DNA dat er precies uithaalt wat past bij het individuele kenmerk van dit eiwitcoderend DNA. 
  • Bij ‘veldgestuurde reparatie-mutaties’ – door middel waarvan de morfogenetische velden trachten functie-uitval door gendefecten van de eiwitcoderende exons te herstellen – reageert het exon-DNA door het vormen nieuwe functionele eenheden. Een voorbeeld van deze ‘automatische reparatiedynamiek’ werd in 1999 voor het eerst door biologen van de Vrije Universiteit van Amsterdam waargenomen bij patiënten met fanconi anemie. In sommige van hun bloedcellen bleken de defecte genen spontaan te zijn hersteld: de lettercode van het DNA had niet de oorspronkelijke vorm aangenomen, maar een geheel nieuwe, die even functioneel was als de oude. Die nieuwe vorm was afkomstig van donorbloed dat op een aantal van de cellen van de patiënten een ‘cytopathisch spiegeleffect’ had uitgeoefend. Hetzelfde verschijnsel werd later ook waargenomen bij het ‘zandraketje’, een plantje waarvan een genetische afwijking – in de vorm van een puntmutatie, ofwel een enkele foute letter – zich ook spontaan herstelde. Hier werd niet voor morfogenetische informatie geïntermedieerd door donor-DNA, maar was de amplitude van de veldinformatie zodanig groot dat de plantjes zich weer conformeerden aan de juiste veldinformatie die beschikt over een sterker veld dan de gemuteerde variant.
  • Bij de overdracht van de informatie vanuit de ECM naar het exon-DNA in de cellen spelen melatonine en serotonine – die beide in dezelfde vorm in alle cellen van alle organismen voorkomen en zich verbinden met het DNA-molecuul in de celkern – een onmisbare rol in samenwerking met het cytochroom-C dat zorgt voor de overdracht van de elektronenpatronen naar het DNA.  Het lichaamsvoltage zorgt voor de lading van het DNA, terwijl de isolator tryptofaan – als het basisbestanddeel van serotonine en melatonine – zorgt voor de negatieve polariteit van het DNA, waardoor de elektronen worden aangetrokken. Het door tryptofaan tot negatief gepolariseerde elektrische veld van het DNA trekt dus de in positieve elektronen-patronen gecodeerde morfogenetische- en geheugeninformatie aan, waarbij het cytochroom-C zorgt voor de noodzakelijke geleiding.
  • De 3% exons van het cel-DNA  zorgen op hun beurt – en daartoe geactiveerd door de elektronenpatronen vanuit de ECM – via het mRNA voor een expressie van de doorgekregen veldinformatie in de vorm van eiwitcodering die werkzaam is op alle lagen van het fysieke niveau. Het mRNA wordt uit losse RNA-nucleotiden gevormd doordat het wordt aangetrokken door de beurtelings vibrerende nucleotiden van de exon-DNA. Polymerisatie van deze reeksen nucleotiden zorgt ervoor dat zo’n mRNA-strip intact blijft tijdens zijn kortstondige functioneren bij de eiwitsynthese. Daarna wordt deze mRNA-strip gedepolymeriseerd door exonucleasen en kunnen de afzonderlijke nucleotiden weer opnieuw worden gebruikt voor nieuwe mRNA-strips. Ook worden er in de cel voortdurend nieuwe nucleotiden gevormd uit aangevoerde voedingsstoffen. Voor herstel en evolutie van het DNA is alleen reclycling van nucleotiden niet voldoende.
  • De uiteindelijke eiwitexpressie door het mRNA wordt nog verder geregeld door (graduele) remming hiervan door de – door het ‘junk-DNA’ gegenereerde – micro-RNA’s die deels het mRNA afdekken ter voorkoming van daadwerkelijke eiwitsynthese. Dit vormt de meest recente en verfijnde ‘organisatielaag’ in het hele mechanisme van de aansturing van een organisme door informatieve velden.
  • In het berichtenverkeer van een organisme spelen ionenkanalen een universele rol. Deze poriënvormende eiwitten dragen niet alleen elektrische activiteit bij zenuw- en spiercellen over, maar vertalen ook fysieke of chemische zintuigprikkels in zenuwimpulsen. Zelfs bloed-, immuun- of levercellen, die niet rechtstreeks met het zenuwstelsel zijn verbonden, gebruiken ionenkanalen voor de communicatie. Bij lokale fysieke en chemische prikkels planten de zenuwsignalen zich als een kettingreactie van lokale spanningsveranderingen voort en wordt zo op indirecte manier een uitgebreider gebied geactiveerd. Als de prikkel echter afkomstig is uit de aura/veldinformatie – en dus een energiek karakter heeft – dan wordt een bepaalde zenuwfunctie direct in zijn geheel geactiveerd en reageren alle zenuwen van een bepaalde soort tegelijk.

Het geheugen en het morfogenetische veld

De dynamiek van het functioneren van het geheugen is niet identiek aan die op eiwitniveau, hoewel wel verbonden met het DNA. De geheugeninformatie wordt – na resonans met het junk-DNA – echter niet alleen doorgegeven via de macromoleculen van de EMC, maar ook via tussenkomst van de macromoleculen in de centrale worm van het cerebellum. Deze worm geeft de opgevangen digitale informatiepatronen als prikkels – via het vuren van neuronen (actiepotentialen) en neurotransmitterstoffen – door aan de beide hemisferen van het cerebellum en de grote hersenen, zodat we ons via de sensorische modaliteiten (visueel, auditief, olfactorisch, motorisch en emotioneel) onze geheugenbestanden uit de ‘veldopslag’ kunnen ‘her-inneren’. Ook ‘inspiratie door andere bewustzijnsinhouden bereikt op deze manier ons bewustzijn. Doordat ieder mens een uniek exon-DNA-patroon heeft is ook de individuele geheugeninformatie slechts beschikbaar voor dat ene DNA-patroon. Als iedereen hetzelfde ‘DNA-nummer’ had, dan was geheimhouding van gedachten en ideeën in een individueel geheugen onmogelijk. 

Een verslag van ons individueel functioneren wordt via onze aura weer opgeslagen in de morfogenetische- en geheugenvelden van onze soort, die op basis hiervan weer andere individuen zullen kunnen aansturen. Hoewel alle informatie in collectieve morfogenetische- en geheugenvelden wordt opgeslagen, is slechts dat deel van de informatie voor iedereen beschikbaar dat door cumulatie een voldoende hoge amplitude heeft verkregen. Het collectief geheugen en de morfische informatie die voor iedereen beschikbaar zijn, betreft dan ook slechts die informatie die door vele individuen van een soort – en in een bepaalde mate DNA-gerelateerd – als een zelfde ervaring is opgeslagen.

Opslag van morfogenetische informatie omtrent het functioneren van individuen vindt plaats doordat de resonans van het junk-DNA en het exon-DNA versterkt terugkomt in de aura en van daar uit ook weer doorgegeven wordt naar die velden. Quantumdeeltjes (gluonen) resoneren wel direct mee met vibrerend DNA. Op die manier worden veranderingen in het functioneren ook doorgegeven naar de aansturende velden, waardoor – bij groeiende amplitude door toenemende cumulatie van informatie – andere individuen weer worden beïnvloed via de door gluonen gegenereerde fotonen. 

Via de introns wordt algemene soortgebonden aansturingsinformatie ontvangen, maar de exons coderen voor individuele fysieke en fysiologische eigenschappen, zoals de bouw van het lichaam, het functioneren van organen en de kleur van haar en ogen. Erfelijke ziekten kunnen worden overgedragen via introns en exons. Bij kapotte introns bereikt bepaalde functioneringsinformatie niet het individu en dat levert om de twee eerder genoemde redenen functie-uitval. Bij kapotte exons kunnen er – ondanks de voorhanden zijnde aansturings-informatie via gave introns toch geen bepaalde eiwitten en/of enzymen worden aangemaakt.

Dat de genetische eigenschappen van het junk-DNA en de exons worden doorgegeven aan het nageslacht, verklaart ook waarom in bepaalde families bepaalde ‘familietrekjes’ voorkomen in gedrag en gezondheid. De in de quantumvelden opgeslagen informatie blijft – bij voldoende amplitude en/of voortdurende informatie-opslag over de generaties heen bewaard en hoe identieker het DNA van een nakomeling is aan dat van een voorouder, hoe meer geheugen- of ervaringsinformatie er voor die nazaat beschikbaar is en hoe meer zijn gedrag – via feedback met de velden – wordt aangestuurd door de ervaringen van de voorouder.

Bij transplantatie van ‘vreemde’ organen intermedieert het DNA van het betreffende orgaan voor informatie die behoort bij die andere DNA-code dan de eigen code. Dat kan behalve tot vreemde sensaties ook leiden tot interferentiepatronen die afbreuk kunnen doen aan de kwaliteit van het normaal gewenste veldcontact. Hierdoor wordt het risico op het ontwikkelen van geestelijke en lichamelijke stoornissen groter.

Doordat een mens voortdurend nieuwe kiembaancellen aanmaakt in het rode beenmerg, kunnen deze na transplantatie, gentherapie en andere ‘verrijkende vreemde invloeden’ ook in gemuteerde vorm worden aangemaakt. Op die manier kan men dan de zelf opgenomen mutaties aan het nageslacht doorgeven. De informatie omtrent mutaties wordt door het bloed meegevoerd door het rode beenmerg, waar tijdens hun vormende celdeling nieuwe kiemcellen kunnen muteren conform de via het bloed aangeboden informatie. Bloed bevat water en dat is een informatiedrager- en versterker bij uitstek. Hoe meer resonantie, hoe meer versterking van signalen.

Ook kan het bloed op directere wijze – via meegevoerde atomen of moleculen – de nieuw aan te maken kiemcellen muterend beïnvloeden.

Het belang van ‘schoon’ water voor het functioneren van organismen

Water is een van de meest merkwaardige stoffen op aarde. Van zichzelf heeft het weinig uitgesproken eigenschappen. Kleurloos, geurloos, smaakloos in zekere zin. Maar water voegt zich, verbindt, lost op en is een intermediair voor van alles en nog wat. 

Het menselijk lichaam bestaat voor 50 tot 70 procent uit water, afhankelijk van het vetgehalte. Een gedeelte van het water zit in onze cellen; een ander deel zit onder andere in de bloedvaten. Het wordt gebruikt als oplosmiddel en als transportmiddel. Daarnaast speelt het een rol bij het regelen van de lichaamstemperatuur. Maar water is om nog een reden onmisbaar, namelijk voor het functioneren van het DNA, dat zijn aansturing krijgt vanuit digitale informatie uit quantumvelden vol informatie betreffende bewustzijnsinhouden (geheugen) en aansturing voor de fysiologie van organismen.

Water is een bijzondere stof, samengesteld uit waterstof en zuurstof. De chemische formule is H2O. Is enerzijds koolstof de basis van de levende stof, anderzijds is dat water. Samen vormen koolstof, waterstof en zuurstof de overgrote meerderheid van alle levende stof.

De watermoleculen hebben een elektrische dipool, waardoor ze bruggen vormen. Met die dipolen plooien de watermoleculen zich ook rond daarin opgeloste middelen.

Op 1-3-2010 publiceerde ScienceDaily het artikel: By Tracking Water Molecules, Physicists Hope to Unlock Secrets of Life. Ik citeer de inleiding:

[…] The key to life is water, a tiny molecule with some highly unusual properties, such as the ability to retain large amounts of heat to lose, instead of gain, density as it solidifies. It behaves so differently from other liquids, in fact, that by some measures it shouldn’t even exist. Now scientists have made a batch of new discoveries about the ubiquitous liquid, suggesting that an individual water molecule’s interactions with its neighbors could someday be manipulated to solve of the world’s thorniest problems – from agriculture to cancer […] 

Zelf denkt Teuni dat juist het niet manipuleren van water kan leiden tot preventie van vele problemen van problematiek met de landbouw tot en met kanker. Juist het ‘vervuilen’ van helder water met allerlei elektro-actieve stoffen – en het blootstellen ervan aan straling – kan er toe leiden dat het informatiedragend vermogen van water afneemt en dus ook de kwaliteit van het functioneren van organismen conform hun blauwdruk. Ook de kwaliteit van het natuurlijk afweersysteem van plant, dier en mens kan hierdoor afnemen, waardoor deze organismen gevoeliger worden voor infecties en parasieten.

Dat water een geheugen heeft voor informatie is al langer bekend. De prominente Franse immunologist Jacques Benveniste (1935-2004) kreeg tweemaal de Nobelprijs voor zijn wetenschappelijk werk aan de geheugenfunctie van water, waarover hij een belangrijk artikel schreef (1991), waarna hij ook nog aantoonde dat de geheugenwerking van water ook via telefoonlijnen of internet digitaal kon worden verstuurd (1998). 

Voor het afwijkende (uitzettende) gedrag van water beneden de 4 graden Celcius en de geheugeneffecten (voor informatie) van water geven hoogstwaarschijnlijk de door water gevormde waterstofbruggen een verklaring. Daarom laat ik nu eerst ir. Cees Kamp uitleggen hoe de vorming van waterstofbruggen in zijn werk gaat (2002, www.watiswater.nl.)

[…] Wat zijn waterstofbruggen?

Het watermolecuul bestaat, in traditionele zin, uit een zuurstofatoom dat gebonden is met twee waterstofatomen. Dit levert de ons bekende formule H2O. Waterstofatomen (H) zijn veel kleiner dan zuurstofatomen (O). Stel het watermolecuul maar voor als een soort Mickey Mouse hoofd met twee kleine oren.

De oren van het watermolecuul zijn de waterstofatomen en staan onder een hoek van ongeveer 106 graden ten opzichte van elkaar. Door bindende krachten binnen het watermolecuul worden de waterstofatomen zwak positief geladen en wordt het zuurstof zwak negatief geladen. Mickey Mouse krijgt dus twee zwak positief geladen oren. De positief geladen waterstofatomen, de oren, vormen de basis voor de waterstofbruggen […]

[…] Namelijk, het oor van het ene watermolecuul kan een klein beetje aan het lijf van een ander watermolecuul trekken […]

[…] Op deze wijze vormen de waterstofbruggen de basis voor clustering en structurering. Molecuul A is via een waterstofbrug verbonden met B. B is weer verbonden met C enzovoort. Er kan een heel netwerk ontstaan. Ieder watermolecuul kan zo door waterstofbruggen met maximaal vier andere watermoleculen verbonden zijn […]

[…] Deze structuur van vloeibaar water kan open of gesloten zijn en heeft het icosaëder als basis. Het icosaëder is een van de platonische lichamen, namelijk het regelmatig 20-vlak […]

We zien dus een watermolecuul waarbinnen een zwakke positieve en een zwakke negatieve lading bestaat. De ruimtelijke structuur van watermoleculen bestaat dus bij de gratie van die twee verschillende ladingen. Watermoleculen hebben dus een elektrische dipool.

In de onverstoorde icosaëderstructuur fungeert water als een medium dat allerlei vibraties – dus digitale frequentiepatronen – kan dragen en doorgeven en versterken. En dat kan het razendsnel.

Maar dit magnifieke systeem van informatie-overdracht in het lichaam – door middel van waterhoudende lichaamsvloeistoffen die ook de extracellulaire matrix doorspoelen – is heel kwetsbaar voor onnatuurlijke invloeden van buitenaf.

Zodra het lichaam belast wordt met teveel onnatuurlijke (dus niet in het lichaam thuishorende) sterk elektro-actieve elementen – zoals kwik en aluminiumzouten, fluor enz. – kan het gebeuren dat de (sterkere) elektro-positiviteit en/of elektro-negativiteit van deze stoffen een te sterke invloed gaat uitoefenen op de zwakke elektro-positiviteit en/of zwakke elekro-negativiteit van de waterstof- en zuurstofatomen binnen het watermolecuul.

Er kan ladingsverschuiving optreden in de watermoleculen. Wat zwak positief of negatief was, kan sterker worden, maar ook kan positief negatief worden of andersom. En dat kan ertoe leiden dat de onderlinge verbinding/aantrekkingskracht tussen zuurstof- en waterstofatomen verzwakt of verdwijnt, zodat de moleculen van elkaar losraken en de stabiele structuur van water uiteenvalt. 

Zodra de regelmatige icosaëderstructuur uit elkaar valt, kan deze door het hele lichaam aaneengesloten vibrerende waterstructuur niet langer onverstoord dienen als versterker van en intermediair voor informatie-overdracht. 

In zo’n conditie wordt dan het optimaal functioneren van een organisme – somatisch en psychisch (bewustzijn en geheugen) – benadeeld.

Doordat water in het lichaam als één grote aaneengesloten structuur resoneert met de aangeboden veldinformatie wordt die veldinformatie door de talloze met elkaar verbonden watermoleculen relatief enorm versterkt. Al die resonanties cumuleren tot een sterk verhoogde amplitude. Als er nu allerlei onderbrekingen ontstaan in die aaneengesloten waterstructuur, die als een apart resonerend lichaam ons fysieke lijf vult, dan kan nooit meer zo’n grote versterking van de amplitude bereikt worden, omdat resonanties ook niet vloeiend door het hele lijf kunnen worden doorgegeven. 

Dat betekent dan weer dat de amplitude van de – onder andere aan de macromoleculen aan te bieden – informatie kleiner wordt. Er ontstaat signaalverzwakking. En dan kan het gebeuren dat sommige informatiesignalen zo zwak worden, dat ze te zwak worden om nog door het DNA te worden opgepikt. Die aansturingsinformatie gaat dan verloren, met functieverlies als gevolg.

Dat elektro-activiteit inderdaad een rol speelt bij veranderingen van de waterstructuur wordt bevestigd door een onderzoeksuitkomst die ik op 22-5-2010 las in de wetenschapskatern van de Volkskrant. Ik citeer even het hele berichtje:

[…] Zout-ionen nemen water in houdgreep

NETWERKEN Met behulp van snelle laserpulsen hebben Amsterdamse onderzoekers van het FOM-instituut Amolf waargenomen dat ionen van een zout dat in water wordt opgelost, een stevige greep hebben op de omringende watermoleculen. Zowel de positief geladen ionen als de negatief geladen ionen omringen zich volgens een artikel in Science met een schil van gerichte watermoleculen.

Het blijkt dat de ordening van het water verder reikt dan de eerste schil. Het lijkt er zelfs op dat de waternetwerken rond tegengesteld geladen ionen elkaar ook weer beïnvloeden, waardoor watermoleculen niet echt vrij kunnen bewegen […]

Fylogenetische terugval door signaalverzwakking

Maar dat is nog niet alles. Want hoe jonger de evolutionair ontwikkelde aansturingsinformatie is, hoe kleiner van nature de amplitude van die informatie nog maar is. Want hoe langer bepaalde organismen bestaan, hoe langer er al informatie is gecumuleerd en hoe hoger de amplitude door de tijd heen al is geworden. 

Dat betekent dat evolutionair oudere informatie een hogere amplitude en derhalve ook een grotere impact heeft. 

Als nu door het breken van die waterstofbruggen de totale waterstructuur niet meer als geheel functioneert, dan verzwakken de signalen van de meest moderne evolutionaire ontwikkelingen het eerst. En dat betekent dan dat de oudere signalen dominant worden.

Dat kan dan leiden tot zogenaamde fylogenetische terugval, dus een aansturing van het functioneren die tendeert naar evolutionaire voorgangers (geheel of gedeeltelijk).

Voor de breinontwikkeling kan dat tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld de frontale lobben onderontwikkeld blijven, terwijl van de amygdala’s de oudere delen sterker ontwikkelen dan de jongere delen. En dat kan leiden tot een predispositie voor bijvoorbeeld de borderline stoornis, versterkte gevoelens van angst en agressie, ongeremdheid, dus allerlei trekjes die vaak worden gediagnosticeerd als ADD/ADHD. Met onderontwikkelde frontale lobben is het onmogelijk om echt volwassen te worden.

Door de fylogenetische terugval kunnen dus heel goed ADD/ADHD en stoornissen in het autistisch spectrum ontstaan. Hierover heb ik een meer uitgebreide studie gemaakt.

Dit houdt dus in dat de elektro-actieve elementen die met vaccinaties in het lichaam worden gespoten afbreuk doen aan de kwaliteit van de morfogenetische aansturing van organismen. En dat kan dan weer leiden tot alle mogelijke disfuncties en fylogenetische terugval, die ook in combinatie kunnen optreden. 

Via het vernielen van de structuur van water in lichaamsvloeistoffen zijn elektro-actieve stoffen in vaccins (kwik, aluminium en Span 85) en fluor (in drinkwater en de tandheelkunde) dus ook nog nadelig voor de ontwikkeling van kinderen en de gezondheid van iedereen.

Hieronder volgt nog enige evidentie voor de rol van junk-DNA bij de overdracht van informatie. Resonerend junk-DNA heeft via RNA-typen de regie over het functioneren van een cel. In mijn uitgebreide studie omtrent het mechanisme van veldcontact – waarvan hiervoor een samenvatting is gegeven – leg ik uit dat het junk-DNA – via resonantie – fungeert als eerste ontvanger van morfogenetische informatie. 

Inmiddels heeft de wetenschap ook ontdekt dat junk-DNA voor een zeer belangrijk deel de regie voert over het tot stand komen van de gewenste eiwitsynthese. Dit gebeurt via een hele reeks door het junk-DNA gegenereerde soorten ‘micro’-RNA’s, die invloed uitoefenen op de expressie van exon-DNA via eiwitcoderend RNA.

Op 1-9-2005 publiceerde Noorderlicht op haar website het artikel RNA in het zoeklicht.

Vanwege het belang ervan zal ik er hier een stukje uit citeren:

[…] Genetisch dogma achterhaald

Het dogma dat RNA slechts een schakel zou zijn tussen DNA en eiwit is dringend aan herziening toe. Het grootste deel van het DNA in de cel bevat namelijk helemaal geen code voor eiwitten. Kennelijk doet het iets anders. Science zet de zaken deze week op een rijtje.

Tot voor kort werd 97 procent van het menselijk genoom hautain afgewezen als ‘junk DNA’. Onbegrijpelijke rotzooi leek het, die niet van belang geacht werd omdat er toch geen eiwitcodes inzaten. Maar nu hebben genetici het niet-coderend DNA (een deftige naam voor junk-DNA) uit de prullenbak gesleept omdat er tòch RNA van afgeleid blijkt te worden. Niet-coderend RNA is volgens de nieuwe inzichten een nieuwe managementlaag die de activiteit van genen aanstuurt […]

Junk-DNA bestaat uit introns die samen als niet-eiwitcoderend DNA een nieuw ontdekt niveau van aansturing vormen. Dat niveau is zeer basaal en is gerelateerd aan de morfogenetische velden van de soorten. Het met deze veldinformatie vibrerende junk-DNA doet twee dingen:

  • Het geeft de vibraties van de digitaal gecodeerde morfogenetische veldinformatie – via resonantie versterkt – door aan de aura, vanwaar deze informatie via de macromoleculen in het vochthoudend extracellulair bindweefsel wordt doorgegeven aan alle voor eiwitten coderende exons van het DNA en mitochondriaal DNA, zoals ik al in een eerdere studie en voorgaande samenvatting uitlegde. Dit mitochondriaal en exon-DNA geeft informatie door aan het voor eiwit coderende RNA.
  • Het junk-DNA geeft de informatie ook direct door aan RNA dat niet voor eiwit codeert. Dit RNA dekt dan als zogenaamd ‘micro-RNA’ op een selectieve manier het eiwit-coderende RNA af, zodat lang niet alle mogelijk eiwitten tegelijk kunnen worden gevormd. Dat verhinderen van eiwitproductie is ook een gradueel proces.

Dus enerzijds zorgt dat junk-DNA op een indirecte manier voor eiwitsynthese via het eiwitcoderend exon-DNA en RNA, terwijl het tegelijk ook op een directe manier zorgt voor het genereren van micro-RNA’s die dan weer selectief en gradueel de aanmaak van die eiwitten reguleren. 

En daarnaast is signaalversterking door water nodig om te zorgen dat die processen ook optimaal kunnen verlopen.

Op 22-10-2005 stond er een klein berichtje in de Volkskrant, dat ik in z’n geheel citeer:

[…] Natuurlijke selectie ook werkzaam in ‘junk-dna’

Evolutie – Vergelijking van het genetisch materiaal van twee populaties fruitvliegjes wijst uit dat een groot deel van hun niet-coderend dna (‘junk’- of rotzooi-dna) onderworpen is aan sterke natuurlijke selectiedruk. Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers in Nature van 20 oktober. Tot nu toe werd aangenomen dat junk-dna, zo genoemd omdat lang gedacht is dat het geen functie zou hebben, tamelijk stabiel was. Dat het toch evolueert, geeft volgens de onderzoekers aan dat het een belangrijke biologische rol vervult, en dus allerminst rotzooi is […]

Op 7-9-2012 stond er in de Volkskrant het volgende bericht:

[…] Voormalig ‘junk-dna’ zit tjokvol schakelaars

Ooit noemden ze het ‘junk-dna’, genetische rommel. Dat zal men niet snel meer zeggen, nu genetici hebben ontdekt dat minstens 80 procent van het dna tussen onze genen wel degelijk cruciaal werk verricht.

Als onze ongeveer dertig duizend genen de software van onze lichaamscellen vormen, dan zijn de tussenstukken de computer waarop de software draait. Wetenschappers die het rommel-dna doorvlooiden, ontdekten er niet minder dan 4 miljoen ‘schakelaartjes’ die de machinerie van het genen aflezen controleren.

Daaronder meer dan 70 duizend ‘promotors’ – een soort volumeknoppen die genen harder of zachter zetten – en 400 duizend ‘versterkers’, die de activiteit van veraf gelegen genen controleren.

Het internationale onderzoeksconsortium Encode, dat het junk-dna bestudeert, kwam gisteren met een tussenstand in de vorm van dertig onderzoeksartikelen in drie gerenommeerde vakbladen.

Experts staan nu voor de volgende herculische taak: uitvogelen welk schakelaartje bij welke ziekte defect is. ‘We zijn nog lang niet klaar’, aldus Encode-onderzoeker Rick Myers in het vakblad Nature. Want om het geheel nog ingewikkelder te maken, verschilt de activiteit van de dna-machine per weefsel: in een niercel staat andere ‘software’ aan dan in een hersencel […]

Het grappige is dat men nog niet rept over de programmering van die computer. Want als dat junk-dna functioneert als de ‘computer’ die de genen aanstuurt, dan moet toch ook die computer door programmering worden aangestuurd. En dat is nu precies de functie van de veldinformatie die – via gezond resonerend water – die hele machinerie optimaal aanstuurt.

Bij die overdracht van veldinformatie binnen het lichaam speelt dus het informatiedragend en –versterkend vermogen van water – als lichaamsvocht – een onmisbare rol. En als dat informatiedragend en –versterkend vermogen van dat lichaamsvocht verstoord wordt, dan doet dat via de introns en de exons van ons genoom afbreuk aan de kwaliteit van aansturing door morfogenetische en – bewustzijns/geheugenvelden en kan de mens – pychisch en somatisch niet optimaal functioneren.

Dit is een nadelig mechanisme van vaccinaties dat nog niet eerder werd onderkend.

Aangezien kleine kinderen en ongeboren vruchten voor hun ontwikkeling van lijf en brein – en iedereen voor de gezonde instandhouding van zijn lichaam en brein – afhankelijk is van een zo optimale aansturing door de morfogenetische veldinformatie van zijn soort, zal duidelijk zijn dat door de vele vaccinaties, juist in de eerste twee jaar van voortgezette foetale ontwikkeling, veel schade kan worden veroorzaakt aan de breinontwikkeling van jonge kinderen.

Als we gaan beseffen dat heel veel aandoeningen kunnen worden veroorzaakt doordat ‘niet in het lichaam thuishorende’ elektro-actieve stoffen – via het verstoren van de regelmatige structuur van water – de aansturing vanuit de morfogenetische- en bewustzijnsvelden benadelen, dan zou men al heel veel preventie kunnen plegen. En dan hoeft men ook niet te pogen om door manipulatie van de waterstructuur ziekten te genezen die juist door de onbedoelde manipulatie van die waterstructuur zijn ontstaan.

Het waterleven is voor zijn informatieve veldaansturing afhankelijk van de kwaliteit van de structuur van het water waarin het leeft. Als die waterstructuur wordt aangetast door elektro-actieve stoffen die er plompverloren in worden geloosd, dan zal duidelijk zijn dat het waterleven daarin niet optimaal kan functioneren. En dat geldt voor zowel plantaardig als dierlijk leven. 

Een klein experiment om zelf uit te voeren

In het voorgaande stelde ik dat het verbreken van de waterstructuur door elektro-actieve elementen tot gevolg heeft dat de resonantie met veldinformatie niet langer optimaal verloopt, waardoor de impact van veldinformatie afneemt en er ontwikkelingsstoornissen beginnen op te treden en dat de instandhouding van organismen daar nadeel van ondervindt. 

Die elektro-actieve invloeden kunnen ook bestaan uit straling, bijvoorbeeld de straling zoals die door een magnetron wordt gegenereerd. Ik kreeg het verslag toegezonden van een eenvoudig experiment dat door een ieder dit dit interessant vindt kan worden nagevolgd. 

Het experiment bestond uit twee delen en maakte gebruik van gekookt schoon water van dezelfde oorsprong. De ene partij water was gekookt in de magnetron en de andere partij water was gekookt in een gewone pan.

  • In het eerste experiment nam men twee afgeknipte topstengels (van gelijke langte en dikte) van een klimplant en zette die elk in een vaas. De vazen stonden naast elkaar, dus in dezelfde omgevingscondities. In de ene vaas zat magnetron-gekookt (en daarna afgekoeld) water en in de andere vaas normaal gekookt water. Na een week hingen de bladeren van de magnetronwater-stengel verwelkt naar beneden (hoewel de stengel nog net niet helemaal dood was), terwijl de bladeren van de gewoon-water-stengel nog fris omhoog stonden. De vitaliteit van de gewoon-water-stengel was beduidend groter dan de stengel in het magnetronwater.
  • In het tweede experiment nam men twee identieke bloempotjes en vulde die met aarde van dezelfde partij. Daarin plantte men twee identieke jonge plantjes en zette de potjes weer naast elkaar, dus in dezelfde omgevingsomstandigheden. Vervolgens begoot men het ene potje met in de magnetronwater gekookt water en het andere met gewoon gekookt water van dezelfde oorspronkelijke partij. Men goot op de potaarde identieke hoeveelheden van elk water. De eerste dag maakte nog geen verschil in ontwikkeling zichtbaar, maar op de derde dag was al zichtbaar dat het magnetronwater-plantje achteruitging, een verschil met het zich gezond ontwikkelende plantje dat elke dag groter werd. Op de negende dag was het magnetronwater-plantje helemaal weggekwijnd terwijl het plantje dat werd begoten met op de gewone manier gekookt water er nog prima bij stond en zelfs al een beetje gegroeid was.

De enige verschillende variabele is hier de manier waarop het water was gekookt. Dit voorbeeld illustreert duidelijk dat het magnetronwater geen enkele vitaliteit meer had. En dat wordt veroorzaakt door de straling van de magnetron die de waterstructuur zodanig beschadigde dat die partij water niet meer als een geheel de veldinformatie resonerend kon versterken. Door gebrek aan voldoende sterke veldinformatie kwijnden zowel de stengel als het plantje daarna weg onder invloed van dit ‘dode’ magnetronwater.

Dit kleine experimentje sluit mooi aan bij een ander experiment dat al uit de jaren dertig van de vorige eeuw dateert. Hier plantte men onder meer aardappelplanten in aarde waaraan een hoeveelheid aluminium was toegevoegd. En natuurlijk werd de aarde regelmatig begoten met schoon water. De aardappel planten toonden een sterke ontwikkelingsstoornis in vergelijking met aardappelplanten die in gewone ‘schone’ aarde stonden.

Beide partijen aardappelplanten – in de met aluminium vervuilde aarde en in de schone aarde – werden begoten met schoon water van dezelfde oorsprong. Maar het water in de met aluminium vervuilde aarde veranderde onder invloed van dat aluminium van structuur. Die waterstructuur brak uiteen en kon niet meer optimaal de veldinformatie resoneren, terwijl het water in de schone aarde dat nog wel kon. De aardappelplanten die het ‘gebroken’ water opnamen begonnen ontwikkelingsstoornissen te vertonen, terwijl de andere aardappelplanten zich normaal verder ontwikkelden. Hoe groter de hoeveelheid elektro-actieve stof(fen) in water, doe groter de beschading van de waterstructuur.

Dit onderzoek werd al in 1931 werd gepubliceerd (Comptes rendus, 192, 1931, p.582, et Academie d’Agriculture, 17, 1931, p. 218. ).

De beschrijving van dit experiment trof ik aan in een stuk over het werk van Georges Lakhovsky: (Three communications about the work of Georges Lakhovsky, inventor of the Lakhovsky Electrotherapeutic device in the French Academy of Sciences: April 11, 1928 – February 25, 1929 – June 1, 1931, followed by an article about his work in a German Magazine for Technology and Science). Dit is om meerdere redenen een interessant stuk. 

Het experiment met die aardappelplanten is te vinden op de pagina’s 1408 en 1409 van de foto’s van de bladzijden van dit oude stuk.

De link waar dit stuk over Lakhovsky te vinden is: http://www.papimi.gr/lakhovsky.htm

Omdat de mens – net als planten – ook een levend organisme is dat voor zijn functioneren voldoende sterke veldinformatie nodig heeft, zal duidelijk zijn dat ook de mens niet goed tiert en (ontwikkelings)stoornissen kan gaan vertonen als het water in zijn lichaam niet gaaf meer is ofwel beschadigd is door om het even welke elektro-actieve invloeden. 

Zouden we dus moeten verwachten dat kinderen die aan de lopende band worden ingespoten met elektro-actieve stoffen zich nog optimaal kunnen ontwikkelen? Ik denk toch van niet, vooral niet als ze al iets mankeren aan hun ontgiftingssystemen en daarom ook nog eens extra veel van deze stoffen opstapelen, waardoor de invloed van deze stoffen steeds groter wordt.

Het revitaliseren van water

De laatste jaren zijn er al vele onderzoekers die zich bezighouden met het ‘vitaliseren van water’. Zelf zou ik liever spreken van ‘revitaliseren’ omdat water van nature al ‘vitaal’ is in de zin van ‘het leven bevorderend’. 

Bij dat vitaliseren – ofwel ‘herstellen van de vitaliteit’ van water maakt men gebruik van een aantal technieken die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben, maar bij nadere beschouwing precies hetzelfde doen. In feite ‘herstellen al deze technieken de oorspronkelijke waterstructuur’, waarbij de eerder besproken ‘breuken in de homogene structuur’ verdwijnen en het water weer als één massa resoneert met veldinformatie. Hierdoor wordt de amplitude van die informatie weer vergroot en wordt ook de impact van die aansturende veldinformatie weer geoptimaliseerd.

Tegenwoordig maakt men voor dat vitaliseren gebruik van open cascades, kronkelende buizen, gesloten buizen of bollen met een door de fabrikanten niet verklapte inhoud. Ook wordt water wel gemagnetiseerd. Experimenten met planten geven aan dat het werkt. Omdat het bewustzijnsniveau van planten te laag is voor het placebo-effect, mogen we aannemen dat die planten niet liegen over de effecten, die bovendien zichtbaar en meetbaar zijn.

Voor dat revitaliseren van water maakt niet uit of dat water ‘gebroken’ is geraakt door elektro-actieve stoffen of door straling. Het gaat erom dat het niet meer homogeen is en op moleculair niveau breuken [in de samenhoudende structuur] vertoont. Doordat water een ‘geheugen’ heeft, blijven die breuken intact totdat een nieuwe invloed deze laat verdwijnen.

  • Als er sprake is van vervuiling met elektro-actieve stoffen, dan moet men eerst dat vervuilde water zo goed mogelijk ontdoen van deze stoffen. Vanwege dat geheugen van water blijven na het reinigen de breuken wel bestaan. Bij bestraald water dat verder niet vervuild is kan dat reinigen achterwege blijven. Ook hier zullen na het bestralen toch de breuken in tact blijven.
  • Als we vervolgens dan dat gereinigde water over een cascade van schalen of door een kronkelend buizensysteem laten lopen, dan leidt dat tot een zekere subtiele verandering van de lading van dat water (door wrijving), of liever gezegd tot een zodanige invloed dat het effect van die eerdere ladingsverschuiving – dus de ‘breuken in de waterstructuur’ – weer ongedaan worden gemaakt. En dan kan dat water zonder breuken weer als één geheel optimaal resoneren, waardoor de impact van de aansturende morfogenetische velden weer optimaal wordt en dus het functioneren conform hun blauwdruk van de daaraan blootgestelde organismen ook.
  • De effecten van open cascades en kronkelende buizen kunnen ook worden bereikt door het water bloot te stellen aan gesloten buizen of (koperen) bollen waarin een component zit die een elektro-actief effect heeft. Hierdoor kunnen nieuwe subtiele ladingsverschuivingen worden opgewekt die de eerdere ladingsverschuivingen weer teniet doen, waardoor de breuken weer verdwijnen en het water weer terugkeert naar zijn oorspronkelijke homogene staat. Het is daarbij wel van belang dat we weten of die eerdere breuken van het water zijn veroorzaakt door negatieve of positieve elektrische invloeden. Breuken die zijn ontstaan door de negatieve invloed van bijvoorbeeld fluor of aluminium zullen we moeten neutraliseren met een relatief positieve elektro-actieve invloed.
  • Hetzelfde herstellende effect kan ook worden bereikt door ‘magnetiseren’ ofwel het blootstellen van water aan magnetische velden. Hierbij geldt dat magnetisme de andere kant van elektriciteit is en dus ook gezien kan worden als een elektro-actieve invloed. Een te sterk magnetisch veld kan echter wel bij ‘heel water’ leiden tot breuken in de waterstructuur omdat een te sterk magnetisch veld ook kan leiden tot ladingsverschuivingen.

Het zal duidelijk zijn dat men eerst even moet experimenteren met de juiste technieken, in de juiste mate toegepast, voordat een optimale revitalisatie kan worden bewerkstelligd. Maar dat revitalisatie mogelijk is, wordt al volop in de praktijk bewezen.

Bij dat revitaliseren worden de breuken in water weer hersteld door de bindingen tussen de waterstofatomen en zuurstofatomen te versterken. Hoe sterker de aantrekking tussen de waterstof- en zuurstofatomen wordt, hoe groter ook de oppervlaktespanning wordt. En hoe sterker ook het resonerend vermogen van water wordt.

In 2009 verscheen in de Journal of Physics: Conference Series 156 (2009) 012028 het artikel Magnetic Field Increases the Surface tension of Water door Y Fujimura and M Lino, Japan. Ik citeer even het Abstract van dit artikel:

[…] We studied what effects magnetic fields have on the surface tension of water-air interfaces. We measured the surface tension by means of the surface wave resonance method with very high precision. The surface tension increased by 1.83 +/- 0.18 % at the magnetic field of 10 T. As for artificial effects and possible contributions to the surface tension increase, it seems most likely that the stabilization of hydrogen bonds increases the bulk Helmholz’s free energy, at least at the surface, which thereby increases the surface tension […]

Op 19 april 2012 verscheen er een persbericht van Wetsus (centre of excellence for sustainable water technology). De titel was: Water in een waterbrug lijkt bacteriën actiever te maken. Beïnvloedt de structuur van water levende bacteriën? Ik citeer het hele persbericht:

[…] Onderzoekers van Wetsus en NASA hebben het gedrag onderzocht van bacteriën die door en waterbrug zijn getransporteerd. Het bleek dat de bacteriën dit niet alleen overleven, het is zelfs zo dat ze een actiever gedrag vertonen dan bacteriën die niet door de brug zijn gegaan. Is dit actievere gedrag het gevolg van het feit dat het water in de brug anders is dan ‘gewoon’ bulkwater, of is het zo dat alleen de sterkste en meest actieve bacteriën deze stressvolle omgeving overleven? De uitkomsten van verder onderzoek zouden van groot belang kunnen zijn voor bijvoorbeeld onze waterzuivering, waarbij bacteriën beter en effectiever inzetbaar zouden kunnen worden.

In een waterbrug, een vrij zwevende sliert water tussen twee bekerglazen onder hoogspanning, blijkt het water op moleculaire schaal gedrag te vertonen dat afwijkt van het gedrag van moleculen in ‘gewoon’ bulkwater. De waterbrug werd 1893 door de brit William Armstrong ontdekt en was in de wetenschappelijke wereld vergeten tot zijn revival in 2007.

Een groep wetenschappers van Wetsus, centre of excellence for sustainable water technology, en AMOLF, het topinstituut voor natuurkunde, heeft onderzoek gedaan naar de eigenschappen van de waterbrug. In dit onderzoek zijn de watermoleculen in de waterbrug met ultrakorte laserflitsen in trilling gebracht. Uit de snelheid waarmee de trillingen vervolgens uitdoven is af te leiden hoe de moleculen met elkaar verbonden zijn. In de waterbrug blijkt dat het netwerk van watermoleculen anders is dan in gewoon water – de bindingen zijn sterker en de trillingsenergie blijft korter in de watermoleculen. Dit resultaat is verrassend, omdat het niet door berekeningen werd voorspeld.

In een verder onderzoek hebben wetenschappers van Wetsus en NASA samen het gedrag vn bacteriën onderzocht die door een waterbrug zijn getransporteerd. Het bleek dat de bacteriën dit niet alleen overleven, het is zelfs zo dat ze een actiever gedrag vertonen dan bacteriën die niet door de brug zijn gegaan. Is dit actievere gedrag het gevolg van het feit dat het water in de brug anders is dan bulkwater, of is het zo dat alleen de sterkste en meest aciteve bacteriën deze stressvolle omgeving overleven? 

In 2007 hebben wetenschappers gemeten dat de elektrische potentiaal in levende cellen tussen 50 en 300 kV/cm bedraagt, dit is tenminste 10 keer hoger dan in de waterbrug. Om de biochemische reacties in een cel te begrijpen ging men tot nu toe ervan uit dat het water in de cel bulkwater is, omdat volgens berekeningen veel hogere veldsterkten nodig zouden zijn om de structuur van het water te veranderen. Echter de vorming van de waterbrug laat zien dat relatief zwakke elektrische velden al aanleiding kunnen geven tot een verandering van het water. Het is dus mogelijk dat de biologische scheikunde in een cel zich anders gedraagt dan de scheikunde in een reageerbuis. 

Als het water in de waterbrug inderdaad meer op het celwater lijkt dan bulkwater, zou dit een reden voor het actievere gedrag van de bacteriën kunnen zijn. Er is in ieder geval nog onderzoek nodig om dit definitief te kunnen weten […]

De bindingen tussen de watermoleculen in de waterbrug zijn sterker dan in gewoon bulkwater. En hierdoor functioneert dat water in de waterbrug optimaal als één geheel, hetgeen de amplitude van de resonantie van veldinformatie ten goede komt.

Dat de trillingen in de waterbrug eerder uitdoven komt ook de kwaliteit van de informatie-overdracht ten goede omdat er voor de aansturing van celfuncties een zeer korte opeenvolging van signalen (frequentiepatronen) nodig is.

De bacteriën die zich bevonden in de waterbrug, verbleven dus in water met een grotere onderlinge binding dat met grotere amplitude morfogenetische veldinformatie van hun soort resoneerde. Hierdoor werden die bacteriën vanuit hun morfogenetische velden krachtiger aangestuurd in hun functioneren en functioneerden ze (daarna) ook optimaler.

Hiermee is de vraag in de titel van dit persbericht beantwoord: de hechtere structuur van water beïnvloedt levende bacteriën in positieve zin, zodat het een methode kan zijn om via het ‘vitaliseren’ van bulkwater met bijvoorbeeld elektrische of magnetische velden bacteriën te activeren om een rol te spelen in de waterzuivering.

Hiervoor zou een magnetisch veld van 10 Tesla al kunnen volstaan. Het werk van dr. Justa Smith en dr. Robert Miller liet zien dat het effect van een magnetisch veld van 13.000 Gauss op water de groei van enzymen en planten stimuleerde. Ik denk daarom dat velden van 13.000 Gauss (= 1,3 Tesla) tot en met velden van 10 Tesla of nog wat hoger zouden kunnen worden gebruikt om de zuivering van water via bacteriën te optimaliseren.

Henk Kieft

Add comment